Gevaarlijke stoffen

Houtstof is niet de enige gevaarlijke stof waaraan werknemers in de houthandels kunnen worden blootgesteld. Andere gevaarlijke stoffen waarmee gewerkt wordt of waarmee contact in het werk mogelijk is zijn asbest, emissies van dieselmotoren, houtverduurzamingsmiddelen en verven/lijmen (vluchtige organische stoffen). Verder is contact mogelijk met stoffen van biologische aard of met micro-organismen (denk aan legionella, tekenbeten). Op elk van deze stoffen wordt hieronder kort ingegaan.

Algemeen:
Als er gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen moet worden nagegaan of de risico’s voor werknemers beheerst worden. Als onderdeel van de RI&E moet ook de blootstelling aan gevaarlijke stoffen beoordeeld worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de Stoffenmanager. Kwantitatieve beoordelingen met de Stoffenmanager worden door Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinpectie) geaccepteerd als methode voor het evalueren van blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek. Op grond van de uitkomsten van de RI&E dient een beleid te worden gevoerd dat de risico’s voor werknemers tot een minimum beperkt. Onderdelen van dit beleid zijn:

  • Voorlichting en onderricht;
  • Registratie van gevaarlijke stoffen;
  • Etikettering van verpakkingen;
  • Het toepassen van de arbeidshygiënische strategie bij het treffen van maatregelen (eerst maatregelen aan de bron).

Voor meer informatie over de risico's van gevaarlijke stoffen, wettelijke eisen en maatregelen wordt verwezen naar het ArboPortaal. Op het ArboPortaal is ook meer informatie te vinden over de Stoffenmanager.

Indeling en etikettering van gevaarlijke stoffen conform GHS/CLP:
In Europa gelden nieuwe regels voor de indeling, etikettering en verpakking van gevaarlijke stoffen en mengsels. Deze regels zijn vastgelegd in Verordening 1272/2008, EU-GSH/CLP (de Europese versie van Globally Harmonised System of Classification and Labelling of Chemicals). Deze verordening vervangt het huidige systeem voor indeling en etikettering van gevaarlijke stoffen. Er is sprake van de volgende wijzigingen ten opzichte van de oude regeling:

Nieuwe pictogrammen
De oude pictogrammen (gevarensymbool in oranje vierkant) worden vervangen door nieuwe pictogrammen (gevarensymbool in witte ruit met rode rand). Er is sprake van 9 nieuwe pictogrammen. Klik hier voor een overzicht van de nieuwe pictogrammen. In dit overzicht worden de oude en nieuwe pictogrammen voor de verschillende gevaren naast elkaar gezet.

Nieuwe H- en P- zinnen
De huidige R(isk)- en S(afety)- zinnen worden vervangen door H(azard) en P(recaution)-zinnen. De H-zinnen verwijzen naar de gevaarseigenschappen van een stof/mengsel en de P-zinnen
verwijzen naar veiligheidsmaatregelen die aanbevolen worden tijdens het werken met een stof/mengsel. Klik hier voor een overzicht van alle H- en P-zinnen.

Nieuwe signaalwoorden
Bij de nieuwe indeling en etikettering van gevaarlijke stoffen worden signaalwoorden gebruikt om de mate van gevaar te benadrukken. Er is sprake van twee signaalwoorden:

  • Gevaar (voor stoffen/mengsels met de meest ernstige gevaren)
  • Waarschuwing (voor stoffen/mengsels met minder ernstige gevaren)

Het is ook mogelijk dat er geen signaalwoord vereist is voor een gevaarlijke stof.

De verplichtingen van EU-GHS/CLP treden geleidelijk in werking. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen enkelvoudige stoffen en mengsels:

  • Alle enkelvoudige stoffen die momenteel op de markt gebracht worden dienen geëtiketteerd te zijn volgens EU-GHS/CLP. Ook bestaande voorraden (enkelvoudige stoffen) binnen een bedrijf dienen sinds 1 dec 2012 te voldoen aan de nieuwe etiketteringsrichtlijn.
  • Deze verplichting geldt momenteel nog niet voor mengsels. Mengsels die op de markt gebracht worden dienen uiterlijk 1 juni 2015 te voldoen aan de nieuwe etiketteringsrichtlijnen. Voor mengsel die vóór 1 juni 2015 zijn aangekocht (en binnen een bedrijf aanwezig zijn) geldt een vrijstelling van de etiketteringsverplichting tot 1 juni 2017.

Werknemers die werkzaamheden verrichten met gevaarlijke stoffen dienen voorgelicht te worden over de nieuwe etiketteringsvoorschriften.

Nieuwe veiligheidsinformatiebladen als gevolg van REACH:
Alle leveranciers van gevaarlijke stoffen zijn verplicht om een veiligheidsinformatieblad (VIB) bij een product te leveren. In dit document kan een gebruiker lezen hoe veilig en gezond met het product gewerkt kan worden. In het kader van de Europese REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen)-verordening dienen VIB’s aan nieuwe eisen te voldoen. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zijn: 

Rubriek VIB

Onderwerp wijziging

Toelichting

1 (§ 1.1)

Registratienummer

Indien een stof is geregistreerd onder REACH wordt in § 1.1 het registratienummer vermeld

1 (§ 1.2)

Geïdentificeerd gebruik

In § 1.2 wordt de aanbevolen toepassing van de stof vermeld. Het gebruiken van een stof anders dan vermeld  onder geïdentificeerd gebruik is niet toegestaan

2

Identificatie gevaren

Enkelvoudige stoffen zijn ingedeeld en geëtiketteerd conform EU-GHS/CLP. Voor mengsels  dient dit uiterlijk 1 juni 2015 te gebeuren.

8 (§ 8.1)

Controleparameters: DNEL

Indien voor de stof in het kader van REACH een DNEL (Derived No Effect Level = blootstellingsgrenswaarde voor de gezondheid) is afgeleid dient de DNEL in § 8.1 vermeld te worden. Indien de blootstelling lager ligt dan de DNEL zijn geen verdere beheersmaat-regelen nodig.

Bijlage

Blootstellingsscenario’s

In een blootstellingscenario wordt  per specifieke toepassing (geïdentificeerd gebruik) van een stof de maatregelen aangegeven die opgevolgd moeten worden om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen onder de veilige grenswaarde (DNEL) te houden. Het betreft operationele omstandigheden (bv gebruikstemperatuur) en risicobeheersmaatregelen (bv ventilatie). Het opnemen van blootstellings-scenario’s in een VIB is niet voor alle stoffen verplicht. Deze verplichting geldt alleen voor enkelvoudige stoffen die geregistreerd zijn onder REACH (de registratietermijnen lopen nog tot en met 2018), ingedeeld zijn als gevaarlijke stof èn vervaardigd/ ingevoerd worden in hoeveelheden >10 ton/jaar.

Gebruikers van gevaarlijke stoffen dienen te beschikken over een VIB dat up to date is. Bij twijfel dient een nieuw VIB bij de leverancier aangevraagd te worden. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat het zinvol is om 1 x per 3 jaar een nieuw VIB bij de leverancier op te vragen.

Bij ontvangst van een nieuw (REACH-)VIB dienen de volgende acties uitgevoerd te worden:

Stap 1: controleren of de vorm van gebruik is opgenomen in het VIB
Allereerst dient gecontroleerd te worden of de vorm van gebruik die de gebruiker toepast staat vermeld als geïdentificeerd gebruik (§ 1.2) op het VIB. Indien dit zo is kan verder gegaan worden met stap 2. Indien de vorm van gebruik niet staat vermeld in het VIB mag de stof niet gebruikt worden en zijn de volgende vervolgacties mogelijk:

A) verzoek indienen bij de leverancier om de betreffende toepassing ook als geïdentificeerd gebruik in het VIB op te nemen

B) op zoek gaan naar een andere leverancier van de stof die de betreffende toepassing wel in het VIB van de stof heeft opgenomen

C) de stof niet meer te gebruiken/ vervangen door een alternatieve stof waarvan het gebruik wel als geïdentificeerd gebruik is vastgelegd in het VIB van de alternatieve stof.

Stap 2: controleren of wordt voldaan aan voorwaarden blootstellingscenario

De gebruiker dient te controleren of de voorwaarden voor veilig gebruik in het blootstellingsscenario overeenkomen met de feitelijke gebruiksomstandigheden binnen het eigen bedrijf. De volgende uitkomsten zijn mogelijk:

A) het gebruik, de operationele omstandigheden en risicobeheersmaatregelen stemmen overeen met wat in het blootstellingscenario is vastgelegd. In dat geval zijn er geen verder acties in kader van REACH nodig.

B) het gebruik, de operationele omstandigheden en risicobeheersmaatregelen stemmen niet helemaal overeen met wat in het blootstellingscenario is vastgelegd. In dat geval dient de gebruiker (binnen 12 maanden na ontvangst VIB) maatregelen te nemen om de verschillen te overbruggen en/of te zorgen dat de blootstelling tijdens het werken met de stof onder de veilige grenswaarde (DNEL) komt te liggen.

Omdat in blootstellingscenario’s wordt beschreven welke maatregelen nodig zijn om te zorgen dat veilig en gezond met de stof gewerkt kan worden zijn VIB’s een goed hulpmiddel bij het uitvoeren van de RI&E gevaarlijke stoffen in het kader van de Arbowetgeving.

Voor meer informatie zie de brochure Handreiking REACH en Arbo van Inspectie SZW.

Asbest:
Asbest is een verzamelnaam voor een aantal mineralen die zijn opgebouwd uit microscopisch kleine, naaldachtige vezels. Asbest is op grote schaal industrieel toegepast vanwege zijn goede eigenschappen: sterk, slijtvast, bestand tegen logen, zuren en hoge temperaturen, isolerend en goedkoop. Inmiddels is al lang bekend dat blootstelling aan asbest tot zeer ernstige aandoeningen kan leiden. Asbest is kankerverwekkend. Sinds 1 juli 1993 is in Nederland het beroepsmatig bewerken, verwerken en in voorraad houden van materialen met asbest dan ook verboden. In Europa geldt sinds 1 januari 2005 een asbestverbod. Het produceren, op de markt brengen en het gebruik van asbest is niet langer toegestaan.
Voor meer informatie over asbest en de regelgeving met betrekking tot asbest, ga naar het ArboPortaal en informatie van de Rijksoverheid. Daarnaast is informatie te vinden in de volgende brochures van Ministerie SZW: Asbest werkgevers.pdf en Asbest werknemers.pdf.

Relevante wetgeving: Arbobesluit artikel 4.37 t/m 4.37c en 4.43 t/m 4.54d.

Uitlaatgassen:
Bij mobiele arbeidsmiddelen, zoals vervoersmiddelen en heftrucks, kan een onderscheid gemaakt worden in voertuigen met een verbrandingsmotor (diesel, benzine of LPG) en elektrisch aangedreven voertuigen. Dieselmotoremissies (de uitstoot van dieselmotoren), ofwel DME, bevatten kankerverwekkende stoffen waaronder roet en polycyclisch aromatische koolwaterstoffen (PAK's). Om die reden staan DME's in de lijst van kankerverwekkende stoffen en processen.
In verschillende Europese lidstaten geldt een verbodswaarde van 100mcg EC/m3 (microgram elementair koolstof per kubieke meter lucht), maar in Nederland hanteren de overheid en de Inspectiedienst SZW voorlopig een verbodswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan DME van 50mcg EC/m3 en een streefwaarde van 0,16mcg EC/m3.
Een verbodswaarde houdt in dat blootstelling aan een hogere concentratie niet is toegestaan. Een streefwaarde houdt in dat blootstelling aan een lagere concentratie als een geaccepteerd risico wordt beschouwd, maar dat bij blootstelling boven de streefwaarde de werkgever verplicht is om ter vermindering van de blootstelling alle maatregelen te nemen die technisch mogelijk zijn.
Zolang nog geen wettelijke grenswaarde is vastgesteld, accepteert men om praktische redenen dat bedrijven geen maatregelen meer nemen als de concentratie DME in de omsloten ruimte is teruggebracht tot het niveau van de achtergrondconcentratie buiten de omsloten ruimte.

Bij gebruik van voertuigen met LPG ontstaan ook uitlaatgassen, die onder andere stikstofoxiden en aldehyden kunnen bevatten. Uitlaatgassen van LPG zijn in mindere mate ook gezondheidsschadelijk in een gesloten omgeving. Met name voor intern transport in besloten ruimten, zoals een bedrijfshal, hebben elektrisch aangedreven voertuigen dan ook de voorkeur. Voor heftrucks met een laadvermogen van 4 ton of minder is een dieseluitvoering verboden.
Dieseluitlaatgassen kunnen ook vrij komen bij het binnen rijden van vrachtwagens en busjes in een bedrijfshal ten behoeve van laad- en loswerkzaamheden. Voor voertuigen die niet zijn voorzien van een aangedreven diesel motor klasse 4 of hoger zijn aanvullende maatregelen nodig om de emissie aan dieseluitlaatgassen te beperken (zie oplossingen)
Voor meer informatie over DME, zie  ArboPortaal.

Relevante wetgeving: Arbobesluit artikel 4.16 t/m 4.18 en 7.17c en Arboregeling artikel 4.20c.

Houtverduurzamingsmiddelen:
Houtverduurzamingsmiddelen zijn bestrijdingsmiddelen. Deze mogen alleen worden gebruikt met toestemming van de overheid (te herkennen aan een toelatingsnummer, gevolgd door een N, op de verpakking). De belangrijkste methoden voor houtverduurzaming zijn creosoteren en wolmaniseren. Dit gebeurt tegenwoordig in gesloten installaties. Traditioneel dompelen wordt slechts nog beperkt toegepast. Een aantal houtverduurzamingsmiddelen is giftig, sommige middelen zijn reprotoxisch (gevaarlijk voor de voortplanting). Verder kunnen ze allergische reacties veroorzaken en irritatie van de huid, ogen en slijmvliezen.

De belangrijkste preventiemaatregelen zijn:

  • Goede voorlichting over de gevaren van deze middelen en instructie over een veilige en gezonde toepassing ervan; 
  • Werken met houtverduurzamingsmiddelen uitvoeren in een aparte ruimte, gescheiden van andere werkzaamheden;
  • Toepassing van goede ventilatie en afzuiging;
  • Dragen van goede beschermende kleding en veiligheidshandschoenen met lange kappen;
  • In bepaalde situaties waar de blootstelling hoger kan zijn, dragen van adembescherming (meestal A-filter in combinatie met P2);
  • Goede hygiene (niet eten, roken, drinken tijdens werkzaamheden; voor en na het werk en pauzes handen wassen).

Verven/lijmen:
Verven en lijmen kunnen zogeheten Vluchtige Organische Stoffen (VOS), oftewel oplosmiddelen bevatten. VOS zitten het meest in lakken die niet op waterbasis zijn gemaakt. Oplosmiddelen verdampen gemakkelijk, al bij lage (kamer)temperatuur. Voorbeelden van oplosmiddelen die voorkomen in schoonmaakmiddelen en verfproducten zijn tolueen, xyleen, terpentine, hexaan, thinner, peut, wasbenzine en alcohol. Blootstelling aan oplosmiddelen kan eczeem, hoofdpijn, duizeligheid, vergeetachtigheid tot zelfs persoonlijkheidsverandering tot gevolg hebben. Deze aantasting van het centrale zenuwstelsel wordt OPS (organo psycho syndroom) genoemd.

Binnen de houthandel worden soms lijmen, verven, lakken en schoonmaakmiddelen gebruikt die oplosmiddelen bevatten (overigens in steeds mindere mate). Het is bij het aanschaffen van producten verstandig om het veiligheidsinformatieblad te controleren op de aanwezigheid van oplosmiddelen in het product. Staat het gehalte aan oplosmiddelen niet in het veiligheidsinformatieblad vermeld, dan kan dit bij de leverancier worden opgevraagd.

Legionella:
Legionella is een bacterie die zich in lage concentraties in water bevindt. Vooral in stilstaand water en bij temperaturen tussen 20 en 55 graden Celsius in bijvoorbeeld koeltorens kan legionella zich vermenigvuldigen. Wanneer doorstroming niet in het hele warmwatersysteem kan plaatsvinden, blijft het water stilstaan. Vooral op deze plekken (dode hoeken), in de slijmlaagjes aan de binnenkant van leidingen en in het bezinksel op de bodem van reservoirs, groeien legionellabacteriën aan. In leidingen en vaten kunnen slib, afzetting en biofilm voorkomen. Dit soort stoffen, maar ook materialen als rubber, leer en bepaalde kunststoffen, bevorderen de aangroei van de legionellabacteriën.

Als met legionella besmet water wordt verneveld en de kleine waterdruppeltjes (aërosolen) worden ingeademd, kan de legionellabacterie legionellose veroorzaken. Legionellose is een acute infectie van de luchtwegen (Legionella Pneumophilia / veteranenziekte). Jaarlijks lopen naar schatting honderden, mogelijk duizenden mensen een infectie op. De meeste mensen worden hier niet ziek van. Voor zware rokers, ouderen en mensen die geneesmiddelen gebruiken die hun afweer verstoren (bijvoorbeeld mensen die een transplantatie hebben ondergaan), kan een infectie wel ernstige gevolgen hebben en zelfs tot de dood leiden. Van sommige soorten legionella kunnen ook gezonde mensen ernstig ziek worden.

In industriële omgevingen waar water wordt versproeid, verneveld of belucht, ontstaan aërosolen en bestaat de grootste kans op besmetting. Dat geldt vooral voor installaties waarin warm water (20 tot 55 graden Celsius) stilstaat of in een gesloten circuit wordt rondgepompt. Denk hierbij aan:

  • koeltorens en andere open ‘natte’ warmtewisselaars;
  • luchtbevochtigers en condensors in airconditioningsystemen;
  • hogedrukreinigers met interne of externe warmwatervoorraad;
  • installaties waarmee verhit metaal met water wordt gekoeld.

Als uit de risico inventarisatie blijkt dat er mogelijk blootstelling aan legionella optreedt, moeten er een aantal maatregelen genomen worden om blootstelling te voorkomen. Een en ander moet worden vastgelegd in een beheersplan, zie Modelbeheersplan legionella-preventie in leidingwater.

Relevante wetgeving: Arbobesluit artikel 4.84 t/m 4.87.

Ziekte van lyme (teek):
De ziekte van Lyme wordt veroorzaakt door een bacterie die wordt overgebracht door teken. Zonder behandeling kan deze ziekte chronische klachten veroorzaken aan hart, zenuwstelsel, gewrichten en huid.
Voor werknemers die hout oogsten is een beet van een teek een reeël risico. In heel Nederland komen teken voor. Ze leven in struikgewas en hoog gras. Als een teek langer dan 24 uur op de huid zit, bestaat de kans dat hij de ziekte van Lyme veroorzaakt. Het advies is dan ook om na het werken in het bos altijd elkaar te controleren op teken.
Voor meer informatie over de ziekte van Lyme en hoe deze te voorkomen, zie Folder teek.pdf.

Binnen de houthandel zijn verschillende hulpmiddelen en instrumenten ontwikkeld voor het in kaart brengen van een arbeidsrisico in de eigen bedrijfsituatie. Deze inventarisatie tools variëren van te downloaden software (die u lokaal moet installeren) tot online applicaties. Voor dit arbeidsrisico is beschikbaar: